Periodieke uitkering die voortvloeit uit testament is niet aftrekbaar als persoonsgebonden aftrek

Geplaatst op: 15-09-11

In 1997 is de vader van belanghebbende overleden. In het testament van vader is aan de erven (waaronder belanghebbende) de last opgenomen om een levenslange lijfrente te doen aan zijn partner.

Rechtbank Arnhem 12 juli 2011, 10/04077, LJN BR1231

Wetsartikelen: Art. 6.3, Wet IB 2001

In 1997 is de vader van belanghebbende overleden. In het testament van vader is aan de erven (waaronder belanghebbende) de last opgenomen om een levenslange lijfrente te doen aan zijn partner. In geschil is of belanghebbende deze jaarlijkse uitkering als persoonsgebonden aftrek voor onderhoudsverplichtingen in aanmerking kan nemen.
Rechtbank Arnhem oordeelt dat de verplichting tot betaling van de periodieke uitkering voortvloeit uit een bij testament opgelegde last. De erfgenamen voeren daarmee het testament uit en voldoen hiermee niet aan een natuurlijke verbintenis. Van een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud is volgens de rechtbank dan ook geen sprake. Ook is, anders dan belanghebbende betoogt, geen sprake van een uit het familierecht voortvloeiende verplichting. De periodieke uitkering is niet aftrekbaar als persoonsgebonden aftrek voor onderhoudsverplichtingen. Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel oordeelt de rechtbank dat de inspecteur het door hem in het verleden gewekte vertrouwen mag opzeggen op grond van gewijzigd inzicht. De intrekking werkt met onmiddellijke ingang vanaf het moment waarop de inspecteur dat aan belanghebbende kenbaar maakt. Nu de inspecteur het vertrouwen aanvankelijk met terugwerkende kracht heeft opgezegd, heeft belanghebbende alsnog voor drie maanden recht op aftrek.
(Beroep gegrond.)
 

Stuur deze pagina door

Gemarkeerde velden zijn verplicht.

De volgende velden zijn onjuist:

  •  

Gemarkeerde velden zijn verplicht.