Vergoeding voor rechtsbijstand ondanks familierelatie en 'no cure, no pay'-afspraak

Geplaatst op: 04-08-11

Belanghebbende heeft een bezwaarprocedure gevoerd tegen hem in rekening gebrachte aanmaningskosten. In de bezwaarfase heeft de inspecteur de beschikking aanmaningskosten vernietigd. Bij de uitspraak op bezwaar is niet de gevraagde proceskostenvergoeding van € 161 toegekend.

Hof Den Haag 8 juni 2011, 10/00330, LJN BR2951

Wetsartikelen: Art. 7:15, Awb; Art. 8:75, Awb
Hof Den Haag 8 juni 2011, nr. 10/00330 en 10/00331

Belanghebbende heeft een bezwaarprocedure gevoerd tegen hem in rekening gebrachte aanmaningskosten. In de bezwaarfase heeft de inspecteur de beschikking aanmaningskosten vernietigd. Bij de uitspraak op bezwaar is niet de gevraagde proceskostenvergoeding van € 161 toegekend. In haar uitspraak op het daartegen ingediende beroep heeft rechtbank Den Haag geoordeeld dat de inspecteur ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. De rechtbank veroordeelt de inspecteur vervolgens in de kosten van de bezwaar- (€ 80,50) en beroepsprocedure (€ 201,25), uitgaande van een wegingsfactor 0,25 (zeer licht). In hoger beroep claimt de inspecteur dat ten onrechte een vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is toegekend, terwijl belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een hogere vergoeding.
Hof Den Haag oordeelt dat een familierelatie er niet aan in de weg staat dat bij het tegen betaling verrichten van diensten als het opstellen en indienen van een bezwaar- en beroepschrift sprake kan zijn van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, ook al gebeurt dit in de vorm van een ‘no cure, no pay’-afspraak. In zoverre is het gelijk aan belanghebbende. Het hof ziet echter geen aanleiding voor een integrale kostenvergoeding. Wel beslist het hof nog dat het vanaf de beroepsfase nog slechts ging om de vraag of recht bestond op een proceskostenvergoeding en dat dit een zwaardere juridische vraag is dan de vraag of de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht. Daarom is de wegingsfactor in verband met de zwaarte van de zaak hoger vanaf de beroepsfase. Het hof stelt de aan belanghebbende te vergoeden proceskosten voor de beroepsfase op een bedrag van € 805 en die voor de hoger beroepsprocedure op € 1.529,50.
(Hoger beroep gegrond.)
 

Stuur deze pagina door

Gemarkeerde velden zijn verplicht.

De volgende velden zijn onjuist:

  •  

Gemarkeerde velden zijn verplicht.