Hof Arnhem 15 november 2011, 11/00307, LJN BU5781
Wetsartikelen: Art. 3 lid 1 onderdeel b, Wet BRV
Y had de juridische eigendom van zes onroerende zaken (registergoederen 1 tot en met 6), waarvan de economische eigendom voor de helft berustte bij Y en de andere helft bij belanghebbende. Verder waren belanghebbende en Y ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van vier onroerende zaken (registergoederen 7 tot en met 10). Op 23 december 2003 zijn belanghebbende en Y een geregistreerd partnerschap aangegaan onder de voorwaarde van uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, met uitzondering van de tien onroerende zaken. Op 24 december 2003 is het geregistreerd partnerschap tussen belanghebbende en Y ontbonden. Bij akte van 29 december 2003 hebben belanghebbende en Y de tot de gemeenschap van goederen behorende onroerende zaken verdeeld. Belanghebbende heeft de eigendom van de registergoederen 1 tot en met 6 toebedeeld gekregen en Y de eigendom van de registergoederen 7 tot en met 10. Voor de heffing van overdrachtsbelasting is ter zake van deze verdeling een beroep gedaan op de uitgezonderde verkrijging als bedoeld in art. 3, lid 1, letter b, Wet BRV. Volgens rechtbank Arnhem staat het leerstuk van fraus legis daaraan in de weg. Het hof ziet dat echter anders. Nu de wetgever gedurende het wetgevingsproces inzake het geregistreerd partnerschap is gewezen op de hier aan de orde zijnde ontgaansmogelijkheid en de wetgever daarvan tijdens dat wetgevingsproces heeft kennisgenomen maar geen aanleiding zag tot aanpassing van voorgestelde wetgeving , kan volgens het hof niet worden geoordeeld dat doel en strekking van art. 3, lid 1, letter b, Wet BRV zouden worden miskend indien ter zake van de verkrijging door belanghebbende geen overdrachtsbelasting zou worden geheven. De naheffingsaanslag moet daarom worden vernietigd.