Hoge Raad geeft uitleg over begrip 'gebruik' in kader van 'belaste verhuur' van onroerende zaken

Geplaatst op: 27-09-11

Belanghebbende was eigenaar van een kantoorpand. Zij heeft het pand verhuurd tot 29 februari 2000. Nadat het pand leeg gekomen was, heeft belanghebbende daaraan onderhoudswerkzaamheden laten verrichten.

HR 23 september 2011, 09/01909, LJN BP4793

Wetsartikelen: Art. 11 lid 1 onderdeel b5, Wet OB 1968
HR 23 september 2011, nr. 09/01909 ; Beroepschrift in cassatie bij HR nr. 09/01909 ; Hof Den Haag 27 maart 2009, nrs. 08/00220 en 08/00239
 

Belanghebbende was eigenaar van een kantoorpand. Zij heeft het pand verhuurd tot 29 februari 2000. Nadat het pand leeg gekomen was, heeft belanghebbende daaraan onderhoudswerkzaamheden laten verrichten.
De daarvoor in rekening gebrachte omzetbelasting heeft zij in aftrek gebracht. Op 2 juli 2000 heeft belanghebbende een huurovereenkomst gesloten met B.
B was voornemens het pand in units te (onder)verhuren. In de huurovereenkomst is opgenomen dat partijen een verzoek tot belaste verhuur zullen doen. De huur is ingegaan op 1 november 2000. B heeft daarop in de entree van het pand een informatiebalie ingericht. De huurovereenkomst is ultimo 2000 beëindigd. B heeft geen (onder)verhuurovereenkomsten gesloten. In geschil is of de verhuur aan B is uitgezonderd van de vrijstelling van omzetbelasting voor de verhuur van onroerende zaken. Hof Den Haag heeft die vraag bevestigend beantwoord. De Hoge Raad is het daarmee eens. Volgens de wettelijke bepalingen (voor ‘belast verhuur’) dient de huurder de zaak voor het einde van het boekjaar waarin hij de zaak is gaan huren te gaan gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting bestaat. Het gebruik door een huurder vangt niet pas aan wanneer en voor zover de huurder de gehuurde zaak (onder)verhuurt, maar reeds zodra de huurder in of aan het pand feitelijk handelingen verricht of laat verrichten met het oog op het verrichten van handelingen waarvoor (ten minste voor 90%) recht op aftrek van omzetbelasting bestaat. Tot deze laatste handelingen kan gerekend worden (onder)verhuur met toepassing van art. 11, lid 1, aanhef en letter b, onder 5°, Wet OB 1968. Dat geldt ook voor een geval als hier, waarin het niet tot verhuur door B is gekomen, maar de feitelijke ingebruikname door B (het inrichten van een informatiebalie in de entree van het pand) gericht was op verhuur van afzonderlijke units met toepassing van genoemde wetsbepaling. Het gebruik van het pand was aldus gericht op het verrichten van (met omzetbelasting belaste) prestaties waarvoor recht op aftrek bestaat. Dat het niet tot het daadwerkelijk verrichten van deze of andere prestaties is gekomen, doet het recht op aftrek niet vervallen.
(Cassatieberoep ongegrond.)
 

Stuur deze pagina door

Gemarkeerde velden zijn verplicht.

De volgende velden zijn onjuist:

  •  

Gemarkeerde velden zijn verplicht.